Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Den Haag, Bron: Twitter IenW

‘Omvorming Infrastructuurfonds tot Mobiliteitsfonds op 1 januari 2021 afgerond’

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat verwacht op Prinsjesdag 2021 de eerste begroting van het nieuwe Mobiliteitsfonds te kunnen presenteren. Dat melden de minister en staatssecretaris in een brief aan de Tweede Kamer. In het regeerakkoord werd nog 2030 genoemd als streefdatum.

Het Mobiliteitsfonds is de opvolger van het huidige Infrastructuurfonds. Vanuit dit fonds worden inkomsten en uitgaven voor infrastructuur beheerd met een langjarige financiële planning. Deze planning wordt ondersteund door het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT).

Omvorming is volgens minister van Infrastructuur en Waterstaat Cora van Nieuwenhuizen nodig om er voor te zorgen dat investeringen niet langer opgedeeld zijn in modaliteiten, maar mobiliteit als geheel centraal staat. Vanuit het huidige fonds zijn investeringen vooral gericht op de aanleg van infrastructuur in plaats van bijvoorbeeld het beter benutten van de huidige infrastructuur. Dit soort projecten kunnen nu niet rechtstreeks uit het fonds worden bekostigd. Een nieuwe invulling van het fonds sluit beter aan op de agenda voor slimme en duurzame mobiliteit.

Betere afweging

Doordat de middelen nu worden verdeeld over verschillende modaliteiten gaat er een te grote sturing richting een bepaalde modaliteit vanuit, aldus Van Nieuwenhuizen. De omvorming van het Infrastructuurfonds naar een Mobiliteitsfonds moet bijdragen aan meer flexibiliteit in de te kiezen oplossing. Daarnaast zou het de transparantie en verantwoording van rijksuitgaven aan mobiliteit verbeteren. “Dit optimaliseert de informatiepositie van het parlement en maakt een integrale weging tussen verschillende mobiliteitsuitgaven beter mogelijk.”

Om het fonds om te kunnen vormen tot mobiliteitsfonds is een wetswijziging nodig. Het voorstel hiervoor moet er in het voorjaar van 2020 liggen, schrijven de minister em staatssecretaris. Waarna de nieuwe wet en het fonds op 1 januari 2021 in werking kunnen treden. De nieuwe opzet komt hiermee eerder dan oorspronkelijk gepland. Bij de aankondiging in het regeerakkoord in 2017 was er nog sprake van dat de financiële middelen tot 2030 zouden worden verdeeld tussen de traditionele modaliteiten: wegen, spoorwegen en water. Nu wordt er vanaf 2021 al gebruik gemaakt van de nieuwe indeling. En wordt het Mobiliteitsfonds opgenomen in de begroting van 2022.

Minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat, foto: Rijksoverheid

De essentie van het Infrastructuurfonds blijft na omvorming overeind, verzekert de minister. Zo blijft het meerjarig karakter en blijft het merendeel van de uitgaven beschikbaar voor beheer, onderhoud, vervanging en renovatie. Ook bestaande bestuurlijke afspraken blijven in beginsel van kracht. De omvorming van het Infrastructuurfonds naar een Mobiliteitsfonds sluit aan op de grote verwachte toename van mobiliteit in stedelijke gebieden en op de goederencorridors.

“Het veranderende speelveld. Technologische ontwikkelingen, zoals rond Smart Mobility, gaan snel”, signaleert Van Nieuwenhuizen. “Ons mobiliteitsgedrag verandert geleidelijk. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het toenemend gebruik van de elektrische fiets en afnemend autobezit bij jongeren. Tegelijk vragen ontwikkelingen als klimaatverandering en de kabinetsinzet voor verbetering van de lucht- en omgevingskwaliteit een omslag in ons denken en handelen met betrekking tot mobiliteit. Dit alles vraagt om veilige, slimme en duurzame mobiliteit en flexibiliteit in de langjarige planning van infrastructurele opgaven.”

Focus blijft infrastructuur

Net als het Infrastructuurfonds blijft het Mobiliteitsfonds een planningsinstrument, waarmee langjarige uitgaven worden afgewogen op doelmatigheid. Het blijft hierbij wel vooral gaan om investeringen in infrastructuur. Daaronder vallen ook voorzieningen voor de verkeersveiligheid en de bescherming van het milieu, en het optimaler benutten van deze infrastructuur. Uitgaven voor woningbouw, verstedelijking en andere uitgaven die niet een directe relatie met infrastructuur hebben, vallen niet onder de reikwijdte van het Mobiliteitsfonds.

De taakverdeling met andere overheden blijft intact. Zo heeft het Rijk de verantwoordelijkheid voor de rijksnetwerken en het beheer hiervan, terwijl de regio’s voor hun regionale netwerken verantwoordelijk blijven.

Lees ook:

Auteur: Paul van den Bogaard

Paul van den Bogaard is redacteur van SpoorPro.

Reageer ook

Nog maximaal tekens

Log in via een van de volgende social media partners om je reactie achter te laten.